skip to Main Content

De 3 vissers

Een inspirerend verhaal over het belangrijkste ingrediënt van samenwerken…

Gebruik het als start van een goed gesprek, een workshop, een interventie. Fijn als je mijn naam erbij vermeldt 🙂

In een dorp niet zo ver hiervandaan, tussen bergen en zee, zitten drie vissers op een bankje aan de kade voor zich uit te staren. De avond valt, de zon kleurt de lucht rozerood, de zee ligt er rustig bij. “Dat belooft voor morgen”, zegt de eerste visser, “hetzelfde mooie weer als de voorbije maanden.”“Ideaal”, beaamt de tweede, “mijn bemanning is goed gezind wanneer de zon schijnt. En hoe beter het humeur van mijn ploeg, hoe groter de vangst.”De eerste visser kijkt hem verwonderd aan. “Op mijn boot doet dat er absoluut niet toe. Ik heb mijn mensen aangenomen omdat ze hun vak kennen. Dat is de basis. De rest is bijzaak.”De tweede visser haalt zijn schouders op. “Ze moeten wel iets kunnen natuurlijk, maar een gezellige sfeer op de boot is volgens mij nog belangrijker. Wij varen daarom alleen maar bij goed weer.”De eerste visser schudt meewarig het hoofd en kijkt naar de derde visser. “En jij, wat vind jij hiervan?”De derde visser haalt rustig zijn pijp uit de mond en zegt: “Vertrouwen”.De twee andere vissers kijken hem niet begrijpend aan en wachten op een vervolg, maar de derde visser is alweer aan het roken en lijkt niet van plan om er meer woorden aan vuil te maken. De anderen dringen niet aan, vissers zijn nu eenmaal mannen van weinig woorden. In gedachten verzonken luisteren ze naar het ruisen van de zee. 
De volgende ochtend voor dag en dauw varen de drie boten uit. De dag begint zonnig, zoals verwacht. Geen wolkje te bespeuren. Maar rond de middag slaat het weer om. Uit het niets pakken donkere wolken zich samen, het dondert en het bliksemt dat het een lieve lust is, priemende regen valt met bakken uit de hemel en een ijzig koude wind wakkert de torenhoge golven aan. Het hele dorp houdt de adem in. Iedereen kent wel iemand op de drie schepen die deze ochtend zijn uitgevaren. Na een paar uur bedaart het onweer, de zon breekt langzaam maar zeker weer door het wolkendek. De dorpelingen haasten zich naar de kade. Waar zijn ze? “Daar”, roept een kleine jongen, “daar!” Inderdaad, in de verte naderen één, twee, drie stippen. Een golf van opluchting gaat door de menigte. Ze varen nog. Dat is alvast een goed teken. Een half uur later meren de drie schepen aan. De eerste visser komt aan land, met in zijn kielzog zijn uitgeputte bemanning. Ze kijken kwaad. “De schade valt mee”, zegt een van hen. “Niet dankzij jou”, bijt een ander hem toe, “waar heb jij leren varen?”“Kijk naar jezelf stuk onbenul, door jou sloeg ik bijna overboord!”“Was je maar verdronken, dan had je de netten niet losgesneden en hadden we onze mooie vangst van deze ochtend nog!”“Dan waren we gekapseisd, idioot!”“Genoeg”, brult de visser, “genoeg! Hier is jullie loon. Morgen herstellen we de boot. Overmorgen gaan we terug varen.”Een van de bemanningsleden stapt naar voren. “Zonder mij, kapitein, ik vertrouw deze ploeg voor geen haar meer. Het ging goed zolang de zon scheen, maar als het erop aan kwam, was het ieder voor zich. Dat wil ik geen twee keer meemaken. Ik vind wel een andere boot.” Hij neemt zijn loon en vertrekt. “Hij heeft gelijk”, roept een tweede, en ook hij neemt zijn loon en gaat weg. Waarna een derde volgt, en een vierde. In luttele seconden is de hele bemanning verdwenen. De visser kijkt hen verbouwereerd na. 
Intussen is ook de tweede visser van boord gegaan. Hij kijkt bedroefd. Twee van zijn bemanningsleden zijn gewond en zijn schip is zwaar gehavend. De sfeer is beneden alle peil. “De dag begon zo goed”, zucht hij, “iedereen had het naar zijn zin. Maar toen de storm zo onverwacht kwam aanzetten, raakten we in paniek. Dit hadden we nog nooit meegemaakt.” Hij kijkt naar zijn haveloze ploeg en buigt het hoofd. “Sorry mannen. Ik had de omstandigheden verkeerd ingeschat. Morgen zal het weer beter gaan, dat beloof ik.”“Ik ben bang geworden, kapitein”, fluistert een van hen, “Ik durf de zee niet meer op.”Een tweede valt hem bij. “Ik ook kapitein, ik ook.”Een derde fronst het voorhoofd: “Hoe kan je zeker weten dat het morgen niet opnieuw zal stormen, kapitein? Hoe kan je ons dat beloven?”De visser zwijgt. Dat kan hij niet. Moe, ontgoocheld, en met een hoofd vol onbeantwoorde vragen nemen zijn mannen hun loon in ontvangst en druipen het af.
Op de boot van de derde visser is het verdacht stil. De dorpelingen kijken elkaar ongerust aan. Waarom komen ze niet aan land? Is iedereen wel veilig teruggekeerd? De kleine jongen kan zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en roept: “Hé kapitein, alles in orde bij jullie?” Stilte. En dan, even onverwacht als het zware onweer die dag, klinkt bulderend gelach uit de kajuit. Een paar ogenblikken later komt de kapitein moe maar stralend de loopplank afgelopen, te midden van zijn mannen. Ze kloppen elkaar op de schouders. “Wat een avontuur vandaag!”“Ik moet bekennen dat ik even dacht dat we zouden vergaan!”“Je hebt me uit het water gehaald, dat vergeet ik nooit meer.”“Jij bent een van de beste matrozen waar ik ooit mee heb gevaren!”“Kom, laat ons de  vangst nog uitladen, minder dan anders, maar niet slecht onder de omstandigheden.”“Doen we. En morgen zullen we het schip herstellen, kapitein, zodat we overmorgen weer veilig kunnen varen.” De visser bedankt elk van hen en betaalt hun loon. Daarna neemt hij bedaard zijn pijp uit zijn borstzak en gaat zitten op het bankje aan de kade, waar zijn collega’s hem opwachten.
De eerste en tweede visser hebben het hele tafereel met grote ogen gade geslagen. “Hoe?” is het enige wat ze kunnen uitbrengen.De derde visser steekt zijn pijp aan en glimlacht. “Vertrouwen, collega’s, vertrouwen.” De andere twee knikken en vragen niet verder. Vissers zijn nu eenmaal mannen van weinig woorden. 

Leave a Reply

Your e-mail address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Back To Top